Nederlandse militairen naar Irak: veel risico, weinig analyse | | RISQ Reviews | 25 June 2003 |
|
|
| Auteurs: M.H.J. van den Berg en Pim van Harten
Het kabinet onderschat de politieke risico's
Op 6 juni j.l. besloot de Nederlandse regering een bataljon mariniers en de daarbij benodigde ondersteunende eenheden bij te dragen aan de zogenaamde “stabilisatiemacht” in Irak (SFIR). De Tweede Kamer is inmiddels akkoord gegaan; reeds in de tweede week van juli zijn de eerste onderdelen van de missie, codenaam NLDETIRAK, naar Irak vertrokken.
De Nederlandse bijdrage onderscheidt zich van de Amerikaanse en Britse bezettingsmacht doordat zij wordt bekrachtigd door VN Veiligheidsraad resolutie 1483, die alle lidstaten oproept een bijdrage te leveren aan de “stabiliteit en veiligheid” van Irak. De Nederlandse eenheden, in totaal zo’n 1100, zullen worden ingezet in de zuidelijke provincie al-Muthanna.
Uiteraard zijn er aan deze missie risico’s verbonden. Echter, zo liet de regering weten in een brief aan de Kamer, “de veiligheidssituatie in het zuiden van Irak kan als redelijk stabiel worden gekenschetst". Ook de houding van de bevolking ten opzichte van de stabilisatiemacht zou “in het algemeen als positief” beoordeeld worden. Daarnaast is al-Muthanna voornamelijk een dunbevolkt woestijngebied waar, volgens de regering, tijdens het afgelopen conflict dan ook nauwelijks is gevochten.[1] Met het Srebrenica-dossier nog vers in het geheugen, liet het parlement zich dit keer niet zo snel overtuigen. Naar aanleiding van de brief diende de Tweede Kamer maar liefst 160 vragen in, die de Minister van Buitenlandse Zaken op 18 juni beantwoordde. Uit de vragen, en ook in de hoorzitting die de Commissies Buitenlandse Zaken en Defensie op 19 juni organiseerden, klonk veel bezorgdheid over de risico’s van de missie. Kennelijk heeft de hoorzitting deze zorg niet weg kunnen wegnemen. De twijfel knaagt, zo bleek tijdens beraadslagingen van de Commissies op 25 juni -- óók binnen regeringspartijen. En terecht, zo stellen ondergetekenden, want ook de inbreng van de gehoorde deskundigen laat nog vele vragen open.
Met name de politieke ontwikkelingen in het zuiden, en de eventuele consequenties daarvan voor de stabiliteit en veiligheid in al-Muthanna blijven onbesproken. "[Daarop] kan thans niet worden vooruitgelopen", liet de Minister van Buitenlandse Zaken weten[2]. Dit is des te opmerkelijker, omdat de Minister specifiek waarschuwt voor “het ontstaan van een machtsstrijd op het politieke toneel die uitmondt in gewelddadigheden.”[3] Echter, zo voegt de minister er direct aan toe: “De directe militaire dreiging is beperkt”. Klaarblijkelijk gaat hij er vanuit dat het niet zo snel uit de hand zal lopen. Deze optimistische inschatting is ingegeven door het feit dat het gros van gewelddadigheden zich tot nu concentreert in Bagdad en rondom steden zoals Fallujah en Ramadi in centraal Irak. Dit gebied kent een hoofdzakelijk soennitisch islamitische bevolking, die volgens de minister “grotendeels loyaal was aan Saddam Hoessein”. Aldus biedt dit gebied daarom bij uitstek “mogelijkheden voor restanten van het oude regime [om zich] schuil te houden en gewelddadige acties te ondernemen tegen Amerikaanse militairen”[4]. Dit in tegenstelling tot de situatie in het zuiden van Irak, “waar dergelijke incidenten nagenoeg achterwege zijn gebleven”.
Door zich te baseren op de veronderstelling dat verschillende etnische en religieuze scheidslijnen in Irak bepalend zijn voor de politieke oriëntatie van deze bevolkingsgroepen, worden zowel de politieke motieven van de gebeurtenissen in het noorden als de politieke dynamiek van het zuiden buiten beschouwing gelaten. De regering begrijpt het huidige geweld enkel als gemotiveerd door loyaliteit an Saddam's Baath regime én Arabische soennitische solidariteit. Zij ontdoet zo deze incidenten enerzijds van een politieke lading als gevolg van de huidige bezetting, en geeft deze aanslagen anderzijds een sectarisch en etnisch karakter, waarmee zij van het sji’itische zuiden en Koerdische noorden kunnen worden onderscheiden. Dat “incidenten nagenoeg achterwege zijn gebleven” in het door sji’ieten bevolkte zuiden sterkt de regering vervolgens in haar misplaatste aanname dat het de sji’itische identiteit van de bevolking is die dit gebrek aan geweld verklaart. De regering vertaalt dit prompt in steun aan de bezetter: "Er bestaat onder de inwoners … steun voor de Autoriteit."
Dit ongenuanceerde schema misintepreteert de 'good guys' door ze af te zetten tegen de 'bad guys'. Daarmee gaat de regering voorbij aan de verschillende drijfveren van inwoners van het zuiden, die van belang zijn voor de inschatting van de veiligheidsrisico’s voor onze militairen -én voor hun rol ter bevordering van stabiliteit. Het achterwege blijven van geweld in het zuiden is inmiddels wreed verstoord door de dood van 6 Britse militairen in Majar al-Kabir in het diepe zuiden van Irak. De confrontatie was het gevolg van onenigheid tussen Britten en lokale milities en partijen over het inleveren van wapens. Eerder dreigden CIA agenten een Iraakse guerillagroep zich terug te trekken uit Amara op straffe van een artillerie bombardement, nadat de militie uit het zuid-westelijke moerrasgebied de stad zelf had bevrijd. Een gezaghebbend lid van de Iraakse oppositie in ballingschap, Kanan Makiya, waarschuwde de Amerikanen uitdrukkelijk voor de risico’s van het provoceren en negeren van dergelijke oppositiegroepen.[5]
Deze incidenten geven de futiliteit aan van het analyseren van risico’s gebaseerd op religieuze sekte, etniciteit, geografie, gewelds-incidenten en militaire dreiging, in plaats van op een inschatting van politieke ontwikkelingen. Daarnaast is ook de aanname van een pro-Saddam houding onder de Arabische en soennitische minderheid een vertekening van de huidige werkelijkheid die een onbegrip van de werking van het regime van Saddam Hussein verraadt.[6] [7] De geschiedenis van het ontstaan van Irak of van het lot van de verschillende regio’s onder het juk van Saddam biedt bij deze inschatting minder houvast dan de regering aanneemt. De door de regering in acht te nemen krachten komen nu pas naar boven, en zijn het product van een door het Baath regime grondig veranderd Irak, dat zich niet langer als conflict tussen of optelsom van etnische en religieuze groepen laat verklaren.[8] Bovendien worden de politieke percepties van het door de brute repressie van het Baath regime grondig depolitiseerde Iraakse volk nu veeleer bepaald door de na-oorlogse omstandigheden. Deze politieke wedergeboorte wordt paradoxaal genoeg zowel veroorzaakt door nieuw gewonnen vrijheid als door westerse bezetting. De regering onderschat zo de werkelijke politieke krachten in zowel noord als zuid die juist van groot belang zijn voor een inschatting van politieke- en veiligheidsrisico’s.
Op de geboden argumentatie van de ministers mag een hoop af te dingen zijn, erger is dat de meest in het oog springende risico’s onbesproken blijven. Vier verschillende factoren ontbreken in de risicoanalyse van de beide minsters. Ten eerste is het verloop van de oorlog van belang voor een inschatting van de mogelijke reacties van de bevolking op de komst van Nederlandse militairen. Wat dit betreft bevatten de twee brieven die het kabinet aan de Kamer stuurde onvolledige, zo niet onjuiste, informatie over de provincie al-Muthanna. Zo is tijdens de afgelopen oorlog wel degelijk zwaar gevochten in het gebied. De hoofdstad van de provincie, Samawa, ligt pal aan de weg naar Bagdad, vlak bij een strategische brug over de Eufraat. De opmars van het Amerikaanse leger stuitte dan ook op hevig verzet van Iraakse troepen, waaronder de Saddam Fedayeen en milities van de Baath Partij, alsmede een groep Syrische vrijwilligers[9], aldus Amerikaanse officieren. De strijd om de brug duurde slechts een dag maar het veiligstellen van de weg leidde tot een week van schermutselingen rond de stad[10]. Bij deze gevechten kwamen 112 burgers van Samawa om het leven[11]. Noch was het geweld daarmee beëindigd: in de eerste week van april brachten Amerikaanse troepen een door een zelfmoordcommando bestuurde pick-up truck met propaanflessen tot ontploffing bij een wegversperring in Samawa.[12]
Maar ook de voorgaande jaren zijn van belang voor de inschatting van reacties door de lokale bevolking. Samawa was de laatste verzetshaard in het zuiden tijdens de Intifada Sha'ban, de volksopstand van 1991 waartoe de toenmalige Amerikaanse president had opgeroepen, en die vervolgens door de Iraakse Republikeinse Garde bloedig werd neergeslagen. De stad is nu bezaait met foto's van de 'martelaren' die toen vermoord werden, en mogelijk in de recentelijk ontdekte massagraven rond de stad liggen. Tijdens de jaren negentig werd Samawa bovendien vaak gebombardeerd door de geallieerde luchtmacht vanwege haar strategische ligging in de zuiderlijke no-fly zone. Door de opstelling van luchtdoelgeschut in het midden van de stad troffen de Amerikanen burgerdoelen zoals de lokale voedselopslag, het treinstation en een pedadogisch centrum.
Ook de bewering, dat er tijdens de operatie Iraqi Freedom niet is geschoten met DU (verarmd uranium) -houdende munitie in al-Muthanna, houdt geen stand[13]. Als de regering, zoals zij beweert, deze informatie heeft verkregen van de Amerikanen, dan ziet het ernaar uit dat zij is misleid. Er zijn namelijk wel degelijk aanwijzingen, dat er DU-munitie is gebruikt in de provincie. Recent onderzoek van één van ondergetekenden[14] toont aan, dat het gebruik van zulke munitie in Zuid Irak behoorde tot de standaard operationele procedure, die dan ook routinematig werd toegepast. Al-Muthanna is daarin geen uitzondering: Amerikaanse soldaten betrokken bij de gevechten in en rondom Samawa bevestigen dat daarbij DU-ammunitie is ingezet, zowel door gevechtsvoertuigen[15] als bij luchtaanvallen.[16] Noch beperkten de inzet en gevolgen van DU munitie zich tot de laatste vijandelijkheden: ook in de voorlaatste Golfoorlog werd DU munitie gebruikt[17], vooral op het slagveld in de provincie al-Muthanna.
Desalniettemin wordt de provincie al-Muthanna door de regering steevast gekenschetst als een dunbevolkt, afgelegen woestijngebied, waar nauwelijks iets gebeurt. Echter, het overgrote deel van de bevolking woont langs de weg van Basra naar Bagdad, langs de vruchtbare oevers van de Eufraat. De inwoners van Samawa onderhouden hechte handels- en familiebanden met nabijgelegen steden als Najaf en Nassiriya (beide op zo’n 100 km) of, iets verder weg, Kerbala en Basra (beide 200km). Samawa en ook kleinere plaatsen als Khidr maken dus integraal onderdeel uit van de maatschappelijke dynamiek in het zuiden, en ook politieke ontwikkelingen zullen zich direct in Samawa manifesteren.
Dat brengt ons op een tweede factor die in de analyse van de ministers ontbreekt: de dynamiek van sociale onrust en politiek leiderschap in Zuid-Irak. De regering concludeert terecht dat fundamentalistische bewegingen niet gezien kunnen worden als de enige spreekbuis van alle sji'itische moslims in het zuiden. In steden is sprake van een seculiere en liberale islamitische trend, waardoor juist de Iraakse Communistische Partij hier traditioneel een grote aanhang kende.[18] Dit wordt echter ten onrechte zo uitgelegd dat daarmee de kansen op geweld, politieke onrust, radicalisering, fundamentalisme of Iraanse invloed verwaarloosbaar zijn. Enerzijds zijn onrust en geweld niet noodzakelijk politiek van aard maar een gevolg van de enorme onvrede van de Iraakse oorlogs- en sanctiegeneraties. Anderzijds kunnen nieuwe leiders of organisaties wel degelijk een grote maatschappelijke en politieke rol opeisen -een rol die voor de veiligheid en stabiliteit van groot belang kan zijn. Juist het openlijke en onverwachte politieke karakter van de massale bedevaartsprocessies in het zuiden ter gelegenheid van het sji'itische religieuze feest Arba'in in mei hebben de invloed van verschillende groepen en leiders aangetoond.
Van de diverse sji’itische geestelijken leiders en politieke groeperingen, gaat de meeste invloed uit van de Hawza (de hoogste sji’itische religieuze autoriteit in Irak gezeteld in Najaf, onder leiding van de meer traditioneel a-politieke groot-ayatollah Seyyed Ali Husseini Sistani), de Sadriyun (een recente, populistische beweging geleid door de radicale en jeugdige Muqtada Sadr, geďnspireerd door de ayatollah's Mohammed Baqr al-Sadr en Mohammed Sadeq al-Sadr, die beiden vermoord werden door het Baath-regime), de Hoge Raad voor de Islamitische Revolutie in Irak (SCIRI, een door Iran gesteunde politieke beweging en militie onder leiding van de onlangs naar Irak teruggekeerde ayatollah Mohammed Baqr al-Hakim) en, in minder mate, de verschillende afsplitsingen van de gevestigde Da'wa- en Amal partijen, de liberaal-islamitische al-Khoe’i Stichting (met een kantoor in Londen en New York en geliëerd aan de Hawza) en de Iraakse Hezbollah (een guerilla-beweging uit de zuid-oostelijke moerassen onder leiding van de reeds bij leven legendarische ‘Prins van de Moerassen’, Abdul Karim Mahoud al-Hatab alias ‘Abu Hatem’). De aanhang van sji’itisch fundamentalistische groepen is vooral regionaal van aard: de Da’wa partij kent haar basis in Najaf, de Amal partij in Kerbala[19], terwijl de Sadriyun vooral populair is in de wijk al-Thowra in het oosten van Bagdad (ook wel Saddam City, en nu Sadr City). De autoriteit van groot-ayatollah Sistani en de Hawza van Najaf, en ook de charismatische invloed van ayatollah Hakim van SCIRI en in mindere mate ook die van Sadr laten zich over de hele regio gelden. Daarnaast kennen diverse linkse bewegingen zoals de Iraakse Communistische Partij een grote aanhang onder de inwoners van het zuiden en de zuiderlingen in Bagdad. Tenslotte is in het zuiden een Irakees nationalisme -in tegenstelling tot het in de Arabische wereld populaire regiowijde Arabisch nationalisme- traditioneel populair.[20]
De regering spreekt zichzelf tegen met betrekking tot de invloed van deze groepen: "Hun politieke activiteiten in de provincie al-Muthanna zijn tot nu toe beperkt"[21], maar ook: "Zowel algemeen bekende organisaties (zoals SCIRI en Da’wa) als minder bekende en zeer lokaal optredende facties of persoonlijkheden manifesteren zich in de politieke arena"[22]. Belangrijker echter is dat de ministers stellen dat de aanhang van deze groepen niet te meten valt: "Het is mogelijk dat [..] sji'itische geestelijken op een achterban kunnen rekenen. In hoeverre dit het geval is, is nog niet duidelijk."[23] Het is onverantwoord dat deze inschatting geen deel uitmaakt van de risico-analyse. Zo wordt er bijvoorbeeld geen melding gemaakt van de demonstratie die plaatsvond in Samawa op 16 April, waarbij 3.000 mensen hun steun betuigden aan het gezag van de Hawza van Najaf[24]. Ook het bezoek van de onlangs naar Irak teruggekeerde ayatollah Mohammed Baqr al-Hakim aan Samawa op 12 mei blijft onvermeld. Dit laatste is echt onbegrijpelijk: de ayatollah werd in het lokale sportstadion verwelkomd door een uitzinnige menigte van 60.000 mensen (iets minder dan de helft van het aantal inwoners van Samawa!). In zijn toespraak riep Hakim op tot vrijheid van onderdrukking, democratie, shari'a én religieuze tolerantie, waarop het publiek reageerde met slogans als "Ja voor Islam, nee tegen Saddam, nee tegen de Amerikanen!".[25]
Dit wil niet zeggen dat ons inziens een ‘islamitische revolutie in Irak’ waarschijnlijk is, of dat alle vormen van sjí’itische organisatie als fundamentalisme gekenmerkt kunnen worden. Noch betekent het dat politieke manifestatie van beide soorten groepen noodzakelijk in tegenspraak is met de gewenste democratisering van Irak. De Kamerleden noemen echter sji’itische islam vooral als instrument van buurland Iran[26], terwijl de regering sji’itische islam beschouwt als de logische vorm, die de politieke belangenvertegenwoordiging van de sji’itische gemeenschap aanneemt, indien geen ‘normale’ politieke alternatieven meer voorhanden zijn.[27] Dit beeld komt voort uit vier breed gedragen incorrecte assumpties ten aanzien van politieke islam in Zuid-Irak: dat sji‘itische islam (en/of fundamentalisme) het exportproduct van Iran is, dat deze export naar Zuid-Irak mislukt omdat de Arabische Iraakse sji’ieten zich onderscheiden van de Perzische Iraanse sji’ieten[28], dat verschillende vormen van sji’itische politiek uit belangen-vertegenwoordiging van de sji’itische gemeenschap bestaan[29], en dat fundamentalistische islam slechts ontstaat in reactie op wanhopige omstandigheden.
Echter, Iran steunt meerdere groepen gebasseerd op haar eigen pragmatische machtspolitieke calculaties, inclusief seculiere groepen zoals de koerdische PUK. Omgekeerd onderhouden niet alle sji’itische (fundamentalistische) groepen hartelijke betrekkingen met Teheran. De buitenlandse politiek van de Islamitische Republiek toont, in tegenspraak met de ‘export van de Revolutie’ hypothese, een onverwacht grote continuďteit met die van de in 1979 omvergeworpen monarchie van Sjah Mohammed Reza Pahlavi. Daarnaast beschouwt de regering de verschillen tussen het fundamentalistische en Perzische Iran en de Arabische stammen van sji’itisch Zuid-Irak als zodanig groot dat dus een ‘automatische’ fundamentalistische invloed van Iran niet gevreesd hoeft te worden. Zo ontgaat het de regering dat politieke islam zonder Iraanse bemoeienis een eigen Iraakse vorm kan aannemen, ontstaan uit specifiek Iraakse omstandigheden. Ten onrechte neemt de regering aan dat stamverbanden en Arabische oorspong van de sji’itische Irakezen, en islamitisch fundamentalisme elkaar uitsluitende loyaliteiten vormen.[30] Dit fenomeen heeft immers ook elders in de Arabische wereld geen belemmering gevormd voor de groei van fundamentalistische organisaties. Evenzo ontgaat het de regering dat allerhande praktische politieke kwesties zoals watervoorziening, veiligheid en medische zorg, juist nu deze in alle openheid besproken kunnen worden, net zozeer onderdeel zullen vormen van het politieke programma van fundamentalistische én andere groepen. Fundamentalisme zal niet slechts dan ontstaan wanneer de bezettingsmacht faalt in het betrekken van vertegenwoordigers van sji’itische gemeenschappen bij lokaal bestuur en centraal overleg. De manifestaties van sji'itische politieke islam horen onlosmakelijk bij het politieke ontwaken van Zuid-Irak zelf, net als andersoortige liberale (islamitische), conservatieve (islamitische), nationalistische en linkse trends. Legitieme, politieke kritiek op de westerse inmenging van dergelijke andere groepen kan heel wel met de politieke agenda van de Amerikaans-Britse bezetter in botsing raken -en tot onveiligheid voor de Nederlandse stabilisatiemacht leiden. Inschatting van deze politieke krachten kunnen in een risico-analyse dus niet ontbreken.
Een derde door de regering onvoldoende gesignaleerde ontwikkeling vormt buitenlandse inmenging en manipulatie van lokale krachten. Over de inmenging van Iran spraken wij hierboven. Ook met haar ontkenning van de mogelijke invloed van Saoedi-Arabië slaat de regering de plank mis. Er zijn wel degelijk bewijzen voor Saoedische inmenging, al kan deze niet -zoals een der Kamervragen veronderstelt- begrepen worden als een wahabitische agenda gericht op soennitische moslims in centraal- en noord Irak (wahabisme is een strenge, door het Saoedische koningshuis ter staatslegitimatie aangewende interpretatie van de soennitische hanbali school van islam)[31]. Zoals de buitenlandse politiek van Iran niet simpelweg teruggebracht kan worden tot export van haar sjí’itische politieke islam, blijkt uit de activiteiten van de Saoedische regering dat haar buitenlandse politiek niet kan worden gereduceerd tot export van haar wahabitische islam.
De Saoedische regering zocht gedurende de jaren ’90 samenwerking met alle partijen die haar belangen konden dienen: ook de sji’itische stammen van Zuid-Irak. Het door de Amerikanen aangestelde hoofd van de provincie al-Muthanna, de uit ballingschap teruggekeerde sji’itische sjeik Sami Azara al-Majoun van de Bani Hajim stam uit al-Muthanna, maakte in de jaren ´90 onderdeel uit van een oppositie-netwerk opgezet en gefinancieerd door de Saoedische inlichtingendienst[32] en de Britse MI6[33]. Al-Majoun leidde in Londen de National Reform Alliance, een front-organisatie voor zijn stam[34] en vormde een onderdeel van de Free Iraqi Council[35]. Deze kleine groepen werkten nauw samen met de zogenaamde al-Wifaq (of Iraqi National Accord)[36], een groep van voornamelijk soennitische ex-Baath Partij functionarissen en ex-militaire officieren die halverwege de jaren ´90 ook plotseling de warme aandacht kreeg van de CIA[37]. Deze al-Wifaq concurreerde om invloed en buitenlandse begunstiging met het meer bekende Iraqi National Congress (INC) van Ahmed Chalabi. Doel van de Saoedische bemoeienis was om zowel Koerdische, als Iraans of Iraaks sji’itisch fundamentalistische invloed (dominant binnen het INC) binnen de Iraakse oppositie te vermijden. De Saoedische strategie richtte zich op het continueren van een sterke centrale heerschappij van seculiere Arabische generaals afkomstig uit het centrum van Irak om het uiteenvallen van Irak in autonome gebieden te voorkomen. De Saoedische angst voor zelfbeschikking of politieke macht der Iraakse sji'ieten was groot, omdat hiervan een destabiliserende, potentiëel revolutionaire invloed zou kunnen uitgaan op de Arabische Golfstaten met grote sji’itische minderheden, die ook het regionale evenwicht met sji’itisch Iran zou kunnen verstoren.
Na het falen van deze strategie[38] kozen de CIA en de Saoedische inlichtingendienst voor het benaderen van de sji´itische stammen. De Amerikanen, die goede ervaringen hadden opgedaan met het gebruik van stamverbanden in Afghanistan, zochten een tegenwicht voor de sji´itische fundamentalistische groepen, waarvan men verwachtte dat zij na de val van Saddam Hoessein van het politieke vacüum gebruik zouden maken, en invloed van Iran met zich zouden brengen. Meerdere sji´itische stammenleiders, verbonden in de Tribale Raad van de Diwan (gezamelijke naam voor de zuidelijke stammen), waren in ruil voor invloedrijke posities en veel geld genegen zich bij deze oppositie aan te sluiten[39]. Verschillende teruggekeerde geestelijken en tribale leiders kochten sinds het einde van de oorlog, in analogie met Afghanistan, publieke steun met schijnbaar onuitputtelijke fondsen. Zeker één belangrijke persoonlijkheid en beoogd leider werd reeds vanwege vermeende Amerikaanse steun vermoord (ayatollah Abdul Majid al-Khoe’i); anderen, zoals een niet nader genoemd stamhoofd uit Samawa, werden bedreigd en zochten bescherming van Amerikaanse troepen door zich bij hen te identificeren als “Amerikaans agent”.[40] De Saoedische flirt met de lokale stamhoofden in Zuid-Irak werd vereenvoudigd doordat de familiebanden tussen de stammen in het woestijngebied van Irak, Jordanië en Saoedi-Arabië historisch gezien sterk waren - ondanks religieuze verschillen. Het is tegen deze achtergrond dat de Amerikaanse benoeming van Sami Azara al-Majoun als provinciehoofd, en de aanstelling van de uit Jordanië teruggekeerde stamleider Hakim al-Hukeen als burgemeester van Samawa[41] moeten worden bezien.
Het steunen van bepaalde stammen ter controle van het gebied kent trouwens een opvallende gelijkenis met de tactiek van Saddam’s Baath-regime. Tijdens het neerslaan van de Intifada Sha'ban, de volksopstand van 1991, hielpen verschillende sji'itische stammen de Republikeinse Garde bij het neerslaan van de opstand. Samawa werd wreed gestraft door de Garde onder aanvoering van een lid van een lokale stam, Generaal-Majoor Abdal-Wahid Shannan Aal Ribbat. Delen van de Khafaji stam namen deel aan de onderdrukking van de opstand omdat een stamlid, Aziz Salih al-Numan, een zeer hoge positie in de Baath partij in Bagdad innam.[42] Na afloop kregen loyale stamleden leidende posities in het locale repressie-apparaat van inlichtingendiensten en partij in Samawa. Onder hen Baath partij-chef van Samawa Muhsin Khudayr al-Khafaji, op wie het islamitische verzet een -mislukte- moordaanslag pleegde. [43] [44] Zowel de Aal Ribaat als de al-Khafaji zijn invloedrijke stammen in al-Muthanna. Tevens werkten stammen nabij Dahmah, in de grensstreek van al-Muthanna nauw samen met de Muhabarat, de Iraakse geheime dienst, bij de doorvoer van drugs naar Saoedi-Arabië.[45]
Evenals de meer recente betrokkenheid van inlichtingendiensten, kan ook deze bloederige en corrupte geschiedenis aanleiding vormen voor individuele represailles, spanningen tussen stammen onderling, en tussen stadsbewoners enerzijds en de aan het Baath-regime geliëerde stammen anderzijds. De eerste fricties zijn reeds gesignaleerd: "Lokale sheiks, aangesteld door de Amerikanen, worden als partijdig of onvoldoende bekwaam beschouwd" zo schrijft de minister[46]. Recent kwamen verschillende stamhoofden uit ‘de Soennitische Driehoek’, het gebied tussen Ramadi, Tikrit en Bagdad, naar Samawa om de lokale Bani Hajim stam -geleid door provinciehoofd Sami al-Majoun- te overtuigen tegen de bezetters in opstand te komen. De stammen kwamen niet tot een akkoord.[47] Zowel buitenlandse inmenging in lokale politiek als de lokale spanningen ten gevolge van de manipulaties van het Baath-regime behoren dus wel degelijk tot de te analyseren risico´s voor de Nederlandse aanwezigheid.
Tenslotte gaat de Nederlandse regering voorbij aan de invloed die het beleid van de bezettingsmacht, de Coalition Provisonal Authority (CPA), heeft op de ontwikkeling van politiek en verzet in Zuid-Irak en omgekeerd. Op beide politieke processen heeft de Nederlandse regering geen enkele invloed. Evenmin neemt zij in deze kwesties een eigen politiek standpunt in, met de daarbij behorende eigen verantwoordelijkheid voor haar opstelling ten opzichte van bezetter en bevolking. Desondanks verbindt zij zich vol vertrouwen aan de goede bedoelingen van de CPA: "Het doel van de CPA om in Irak te komen tot een gekozen representatieve regering zal evenwel aan deze zorg tegemoet komen."[48] De veiligheidsrisico's voor de Nederlandse militairen als gevolg van eventueel politiek eigen belang van de Amerikanen en Britten worden veronachtzaamd door het beperkte, a-politieke mandaat van de stabilisatiemacht. De door de Amerikaanse autoriteiten geannuleerde gemeenteraadsverkiezingen in Najaf zijn in deze geen goed voorteken. Zulke maatregelen beschadigen de geloofwaardigheid van de democratische beloften gedaan aan het Iraakse volk, en leiden onherroepelijk tot politieke reacties. Een spiraal van wantrouwen vormt een groot risico voor alle partijen -maar blijft onbesproken in de Brieven van de ministers.
Samenvattend kan gezegd worden dat het haalbaarheidsonderzoek zoals dat door de regering te berde is gebracht, geen politieke risicoanalyse bevat. Irak kraakt echter in zijn voegen van politieke activiteit, na decennia van zwijgen. Deze politiek van het nieuwe Irak wordt door de regering verkeerd begrepen als de eenduidige belangen van etnische, religieuze of tribale gemeenschappen. Het ontbreken van geweld en politiek verzet in Zuid-Irak wordt door de regering consequent uitgelegd als steun aan de bezetter. Zelf neemt de Nederlandse regering onder Veiligheidsraad resolutie 1483 een dubbelzinnige positie in: als loyale onderaannemer van de Coalition Provisional Authority (CPA) enerzijds, en als VN gelegitimeerde stabilisatiemacht zonder politieke betrokkenheid bij Irak en de Irakezen anderzijds. De regering denkt dit ter plekke te kunnen uitleggen: "Door middel van gerichte informatievoorziening zullen inwoners in het gebied van ontplooiing op dit verschil in status worden gewezen."[49] Het bataljon neemt voor de zekerheid echter wel de robuuste rules of engagement, force protection en bijbehorende bewapening over van de leidende natie in de sector, de Britten.
De regering lijkt de discussie over de wil bij te dragen aan een multilaterale stabilisatie van Irak te verwarren met de afweging of een dergelijke missie onder lokale omstandigheden verantwoord is. De regering legt in haar besluitvorming volstrekt onvoldoende verantwoording af voor de veiligheidsrisico’s van de huidige inmenging in de Iraakse politieke ontwikkelingen, terwijl deze inschatting van groot belang is voor de veiligheid van de Nederlandse militairen én de lokale bevolking. Eenzelfde verwarring van politieke wil en haalbaarheid leidde tot de achteraf als wenselijk, doch onverantwoord beoordeelde uitzending naar Srebrenica in 1994. Wishful thinking domineert thans opnieuw de besluitvorming van de regering, en maakt haar blind voor een realistische weging van veiligheidsrisico’s in Irak.
[1] Kamerbrief, 6 juni 2003
[2] Kamerbrief, 18 juni 2003, antwoord op vraag 17
[3] ibid., antwoord op vragen 141-2
[4] ibid.
[5] “CIA Pushed Iraqi Opposition out of Southern Town”, Reuters , 8 April 2003
[6] Isam al-Khafaji, “Not Quite an Arab Prussia: Revisiting some Myths on Iraqi Exceptionalism”, Middle East Policy, Vol. VII no. 4, October 2000
[7] Faleh Abdul-Jabar, “Clerics, Tribes, Ideologues and Urban Dwellers in the South of Iraq: the Potential for Rebellion”, in “Iraq at the Crossroads: State and Society in the Shadow of Regime Change”, Tody Dogde and Steven Simon (ed.), Adelphi Paper 354, International Institute for Strategic Studies, Oxford University Press, January 2003
[8] Isam al-Khafaji, “Not Quite an Arab Prussia: Revisiting some Myths on Iraqi Exceptionalism”, Middle East Policy, Vol. VII no. 4, October 2000
[9] Ben Arnoldy, "Syrian Fighters Join Battle", Christian Science Monitor, 11 April 2003
[10] Monte Reel, “The Bridge at Samawah: It was a small thing, the taking of this obscure Iraqi city. Unless you were there”, The Washington Post, 4 April 2003
[11] Associated Press, “Breakdown of AP's Count of Iraqi Deaths”, 10 June 2003
[12] Michael R. Gordon, "Incursion Enables U.S. Forces to Test the Mettle of Their Foe", New York Times, 6 April 2003
[13] Zie Kamerbrief 18 juni 2003, antwoord op vraag 90
[15] Zie het verslag van de gevechten in Samawah op 30 maart 2003, door E. Pennell, bemanningslid van één van de Bradley Fighting Vehicles (BFVs) van het Eerste Bataljon, 41ste Infanterie Regiment, waarin hij schrijft: “Mijn voertuig schakelt over op Hoog-Exposieve (HE) ammunitie. De eerste granaat die we afvuren is [van] verarmd uranium, conform de standaard operationele procedure…”; brief van Ed Pennell, 22 maart 2003
[16] Zie, bijvoorbeeld, Greg Grant, “Integral Supply Line Snakes Through Dangerous Fields” The Salt Lake Tribune (embedded with the 3rd Infantry Division), 30 March 2003.
[17] Robert Green, “Risico uraniumgebruik in Irak onderschat“, De Volkskrant, 7 Juli 2003
[18] Isam al-Khafaji, “War as a Vehicle for the Rise and Demise of a State-Controlled Society: The Case of Ba’thist Iraq”, in Stephen Heydemann (ed.) “Wars and Societies in the Middle East”, (forthcoming), University of California Press, California
[19] Faleh Abdul-Jabar, “Clerics, Tribes, Ideologues and Urban Dwellers in the South of Iraq: the Potential for Rebellion”
[20] Yitzhak Nakkash, “The Nature of Shi’ism in Iraq”, in Faleh Abdul-Jabar (ed.), “Ayatollahs, Sufis and Ideologues: State Religion and Social Movements in Iraq”, Saqi Books, 2002, London
[21] Kamerbrief, 18 juni 2003, antwoord op vraag 138
[22] ibid., antwoord op vraag 80
[23] ibid., antwoord op vraag 88
[24] Agence France-Presse (AFP) “Iraqis march in support of Shiite religious center in Najaf”, 16 April 2003
[25] Stephen Farrell, “Foreign forces must go, insists Shia ayatollah”, Times, 12 May 2003
[26] Kamerbrief, 18 juni 2003, vraag 21, 22, 23
[27] Kamerbrief, 18 juni 2003, antwoord op vraag 21, 22, 23
[29] Faleh Abdul-Jabar, “Clerics, Tribes, ideologues and Urban Dwellers in the South of Iraq: the Potential for Rebellion”
[31] Kamerbrief 18 juni 2003, vraag en antwoord op vraag 24
[32] Robert G. Rabil, “The Iraqi Opposition’s Evolution: From Conflict to Unity?”, Middle East Review of International Affairs Journal, Vol. 6 No. 4, December 2002
[33] Scott Ritter, "Endgame", Simon & Schuster, April 6, 1999
[34] Laurie Mylroie, "The Administration, Congress, and the Iraqi Opposition", IRAQ NEWS, 18 June 1998
[35] Frank Smyth, “Who Are Those Guys? How Intelligence Agents Are Trying to Remake the Iraqi Opposition”, The Village Voice, 26 March, 1991 en
[36] Brian Whitaker, "Magnificent Seventy Gun for Saddam”, The Guardian, 12 July 2002
[37] Kenneth Pollack, “The Threathening Storm: the Case for Invading Iraq”, Random House, 1st edition, 18 September 2002
[38] Kenneth Pollack, “The Threathening Storm: the Case for Invading Iraq”, Random House, 1st edition, 18 September 2002
[39] Eli J. Lake, “Iraq's divided Shiia opposition”, United Press International, 1 March 2003
[40] Meg Laughlin, “Last moments of life for a cleric who brought $3 million from U.S.”, The Miami Herald, 12 April 2003
[41] Warren P. Strobel, “U.S. waging internal battle on how best to rebuild Iraq”, The Miami Herald, 10 April 2003
[42] Amatzia Baram, "Neo-Tribalism in Iraq: Saddam Hussein's Tribal Policies 1991-96," International Journal of Middle East Studies 29: 1 (1997)
|
| |
|
| |
|
|